de Wet Voorwaardelijk Garantie Inkomen

Let op niet alles werkt, dus niet gebruiken!

Hoofdstuk 1. Algemeen
1.1. Begripsbepalingen
Artikel 1. Organen
Artikel 2. Premies, wettelijk minimumloon en kinderbijslag
Artikel 3. De individuele burger
Artikel 4. Voorwaardelijk garantie inkomen en voorliggende voorziening
Artikel 5. Persoonsgegevens
Artikel 6. Regels bestrijding misbruik
Hoofdstuk 2. Rechten en plichten
2.1. Voorwaardelijk garantie inkomen
Artikel 7. Rechthebbenden
Artikel 8. Uitsluiting van het Voorwaardelijk Garantie Inkomen
Artikel 9. Voorliggende voorziening
Artikel 10. Zeer dringende redenen
Artikel 11. Inlichtingenplicht

Hoofdstuk 3. Voorwaardelijk Garantie Inkomen (VGI)
3.1. Algemeen
Artikel 12. Voorwaarden
Artikel 13. Middelen
Artikel 14. Inkomen
Artikel 15. Vermogen
Hoofdstuk 4. Aanvullende inkomensondersteuning en aanpassing bedragen
4.1. Aanvullende inkomensondersteuning
Artikel 16. Individuele en categoriale bijzondere bijstand
4.2. Aanpassing bedragen
Artikel 17. Bruto minimumloon en consumentenprijsindex
Artikel 18. Aanpassingen middelen
Hoofdstuk 5. Uitvoering
5.1. De aanvraag
Artikel 19. Woonplaats en adresgegevens
Artikel 20. Aanvraag bij UWV
Artikel 21. Doorzending
Artikel 22. Toekenning
Artikel 23. Vaststelling en betaling
Artikel 24. Vervreemding, verpanding, beslag en machtiging
Artikel 25. Medezeggenschapsraad Ministerie SZW!
Hoofdstuk 6. Bevoegdheden en faciliteiten UWV en gemeenten
6.1. Vorm bijstand
Artikel 26. Geldlening en borgtocht
Artikel 27. Schuldenlast
Artikel 28. Duurzame gebruiksgoederen en gemeentelijke belastingen
Artikel 29. Voorschot
Artikel 30. Voorschot UWV andere wet en regelgeving
6.2. Onderzoek, opschorten en herzien
Artikel 30a. Verstrekking en onderzoek gegevens
6.3. Aanvullende verplichtingen
Artikel 31. Noodzakelijke betalingen en bijzondere bijstand in natura
6.4. Terugvordering
Artikel 32. Terugvordering
6.5. Verhaal
Artikel 33. Algemeen
Artikel 34. Inlichtingenverplichting instanties
Artikel 35. Geheimhoudingsplicht
Artikel 36. Vermoeden misdrijf
Artikel 37. Inlichtingenverplichting gemeenten
Hoofdstuk 7. Financiering, toezicht en informatie
Artikel 38. Cassatie
Artikel 39. Onverwijlde bijstand
Artikel 40. Goede uitvoering
Artikel 41. Evaluatie
Artikel 42. Inwerkingtreding
Artikel 43. Citeertitel

Voorwaardelijk Garantie Inkomen

Geldend van 01-06-2020 t/m heden

Wet van 5 mei 2020, houdende vaststelling van een wet verlening van het Voorwaardelijk Garantie Inkomen door het UWV.

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter vereenvoudiging en verduidelijking van de regelgeving en ter versterking van de verantwoordelijkheid van het UWV voor de ondersteuning het Voorwaardelijk Garantie Inkomen gewenst is 

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk 1. Algemeen
1.1. Begripsbepalingen

Artikel 1. Organen

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a.Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

b.college: het college van burgemeester en wethouders, bedoeld in artikel 19, eerste lid;

c.Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

d.Sociale verzekeringsbank: de Sociale verzekeringsbank, genoemd in hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

e.Inlichtingenbureau: het Inlichtingenbureau, bedoeld in artikel 63 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

f.inrichting:

1.een instelling die zich blijkens haar doelstelling en feitelijke werkzaamheden richt op het bieden van verpleging of verzorging aan aldaar verblijvende hulpbehoevenden;

2.een instelling die zich blijkens haar doelstelling en feitelijke werkzaamheden richt op het bieden van slaapgelegenheid, waarbij de mogelijkheid van hulpverlening of begeleiding gedurende meer dan de helft van ieder etmaal aanwezig is;

g.Richtlijn 2004/38/EG: Richtlijn nr. 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) 1612/68 en tot intrekking van Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PbEU L 158);

h.vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel: een bij onherroepelijk geworden vonnis opgelegde vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel als bedoeld in het Wetboek van Strafrecht;

m.pensioengerechtigde leeftijd: pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet;

n.lijfrente: een lijfrente als bedoeld in artikel 3.125, eerste lid, onderdelen a en c, van de Wet inkomstenbelasting 2001, een lijfrenterekening of een lijfrentebeleggingsrecht als bedoeld in artikel 3.126a van die wet die voorziet in een oudedagslijfrente, dan wel een recht op periodieke uitkeringen of verstrekkingen waarop artikel I, onderdeel O, van hoofdstuk 2 van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 van toepassing is;

o.uitreiziger: persoon ten aanzien van wie op grond van een melding van de opsporingsdiensten of inlichtingen- en veiligheidsdiensten, gericht aan het college of de Sociale verzekeringsbank, is gebleken dat het gegronde vermoeden bestaat dat deze persoon zich buiten Nederland bevindt met het doel om zich aan te sluiten bij een organisatie die is geplaatst op de lijst van organisaties, bedoeld in artikel 14, vierde lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap.

Artikel 2. Premies, wettelijk minimumloon en kinderbijslag

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a.premies volksverzekeringen: premies volksverzekeringen als bedoeld in de Wet financiering sociale verzekeringen;

b.kinderbijslag: kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet;

c.wettelijk minimumloon: het minimumloon per maand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag of, indien het een werknemer jonger dan 21 jaar betreft, het voor zijn leeftijd geldende minimumloon per maand, bedoeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van genoemde wet.

Artikel 3. De individuele burger

1De persoon vanaf 18 jaar die voldoen aan het Nederlanderschap of worden.

Artikel 4. Voorwaardelijk garantie inkomen en voorliggende voorziening

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a.Voorwaardelijk garantie inkomen: VGI en bijzondere bijstand;

b.Voorwaardelijk garantie inkomen: het VGI ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan;

c.VGI norm: 70 % van het WML bruto per maand;

d.bijzondere bijstand: de bijzondere bijstand, bedoeld in artikel 16;

e.voorliggende voorziening: elke voorziening buiten deze wet waarop de belanghebbende aanspraak kan maken, dan wel een beroep kan doen, ter verwerving van middelen of ter bekostiging van specifieke uitgaven. Mocht de voorliggende voorziening niet passend en toereikend zijn dient artikel 16 te worden toegepast.

Artikel 5. Persoonsgegevens

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder gegevens mede verstaan persoonsgegevens als bedoeld in de Algemene verordening gegevensbescherming.

Artikel 6. Regels bestrijding misbruik

De overheid stelt in het kader van het financiële beheer bij wet regels voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen Voorwaardelijk Garantie Inkomen alsmede van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet en de daarop berustende bepalingen.

Hoofdstuk 2. Rechten en plichten

2.1. Voorwaardelijk garantie inkomen

Artikel 7. Rechthebbenden

1Iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege.

2Met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, wordt gelijkgesteld de hier te lande woonachtige vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000, met uitzondering van de gevallen, bedoeld in artikel 24, tweede lid, van Richtlijn 2004/38/EG.

3Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere hier te lande woonachtige vreemdelingen dan de in het tweede lid bedoelde voor de toepassing van deze wet met een Nederlander gelijk worden gesteld:

a.ter uitvoering van een verdrag dan wel van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie, of

b.indien zij, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000, rechtmatig in Nederland verblijf hebben als bedoeld in artikel 8, onderdeel g of h, van die wet en zij aan de in die algemene maatregel van bestuur gestelde voorwaarden voldoen.

4Het recht op het Voorwaardelijk Garantie Inkomen komt de belanghebbende individueel toe, ook als een van de huisgenoten geen recht op het Voorwaardelijk Garantie Inkomen heeft.

Artikel 8. Uitsluiting van het Voorwaardelijk Garantie Inkomen

1Geen recht op het VGI  heeft degene:

a.aan wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen;

b.die zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel;

c.die per kalenderjaar langer dan 3 maanden verblijf houdt buiten Europa dan wel een aaneengesloten periode van langer dan 3 maanden verblijf houdt buiten Europa;

d.die jonger is dan 18 jaar;

e.die het VGI vraagt en dan wel nadien, beschikte of beschikt over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien;

f.die een uitreiziger is.

Artikel 9. Voorliggende voorziening

1Geen recht op het Voorwaardelijk Garantie Inkomen bestaat voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet algemeen noodzakelijk worden aangemerkt.
1een uitzondering hierop is medische aangelegenheden waaronder bril, fysio, schoeisel en mondzorg welke via het college wordt toegekend.

2onder een beroep kunnen doen op een voorliggende voorziening wordt niet verstaan het op verzoek van het UWV of college:

a.indienen door de belanghebbende van een aanvraag tot vervroeging van de ingangsdatum van een ouderdomspensioen als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet of artikel 1 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zolang belanghebbende nog niet de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt;

b.benutten van de mogelijkheid om te beschikken over de waarde van een lijfrente zolang de belanghebbende de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, en:

1tijdens de toetsingsperiode de ingangsdatum van de lijfrente niet is uitgesteld;

2voor zover de totale waarde van deze lijfrente of lijfrenten niet meer bedraagt dan € 263.006,00, waarbij voor de vaststelling van de waarde wordt uitgegaan van de waarde zonder aftrek van de eventueel door de belanghebbende daarover verschuldigde bedragen als bedoeld in artikel 31, derde lid; en

3voor zover de inleg in het kader van de lijfrente of lijfrenten:

(i)voorafgaand aan de toetsingsperiode heeft plaatsgevonden; of

(ii)tijdens de toetsingsperiode heeft plaatsgevonden, daarbij jaarlijks ten minste enige inleg heeft plaatsgevonden en de inleg ten hoogste € 6.312,00 per jaar heeft bedragen.

3In dit artikel wordt verstaan onder toetsingsperiode: periode van vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag van het VGI.

4Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de toetsing aan en de toepassing van de voorwaarden in het tweede lid, onderdeel b, in relatie tot het derde lid.

Artikel 10. Zeer dringende redenen

1Aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, kan het college, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van deze paragraaf, het VGI of bijzondere bijstand verlenen indien dringende redenen daartoe noodzaken.

2Het eerste lid is niet van toepassing op andere vreemdelingen dan die, bedoeld in artikel 7, tweede en derde lid.

2.2. Inlichtingenplicht en afstemming

Artikel 11. Inlichtingenplicht

1De belanghebbende doet aan het UWV of college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle financiële feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn recht op het Voorwaardelijk Garantie Inkomen. Deze verplichting geldt niet indien die financiële feiten en omstandigheden door het UWV of college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.

2De belanghebbende verleent het UWV of college desgevraagd de medewerking die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.

Hoofdstuk 3. Voorwaardelijk Garantie Inkomen (VGI)

3.1. Algemeen

Artikel 12. Voorwaarden

1Onverminderd paragraaf 2.1, heeft de belanghebbende recht op het VGI indien:

a.het in aanmerking te nemen inkomen lager is dan het VGI; en

b.er geen in aanmerking te nemen vermogen is.

2De hoogte van het VGI is het verschil tussen het inkomen en het VGI rekening houdend met de vrijlatingen, zoals gesteld in artikel 13 lid 2.

3In het VGI is een vakantietoeslag begrepen ter hoogte van 8 procent van het VGI.

4Het VGI wordt verlaagd met de loonbelasting en premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de bijstand verleent, krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is.

3.4. Middelen

Artikel 13. Middelen

1Tot de middelen worden alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de belanghebbende beschikt of persoonlijk redelijkerwijs kan beschikken. In elk geval behoort tot de middelen de ten aanzien van de belanghebbende de toepasselijke heffingskorting, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001, de IB2001 is hierin leidend, toepassen op het hoogste inkomen.

2Niet tot de middelen van de belanghebbende worden gerekend:

a.de middelen die deze ontvangt ten behoeve van het levensonderhoud van een niet in het VGI begrepen persoon;

b.kinderbijslag ontvangen ten behoeve van zijn in of buiten Nederland woonachtige kinderen;

c.de jonggehandicaptenkorting; (2020 € 749,-)

d.tegemoetkomingen in de zin van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen;

e.eigenwoningbijdrage of een bijzondere bijdrage ontvangen op grond van de Wet bevordering eigenwoningbezit;

f.vergoedingen en tegemoetkomingen, waaronder begrepen de tegemoetkoming ontvangen op grond van artikel 19 van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten, voor, alsmede de vermindering of teruggave van, loonbelasting of inkomstenbelasting en van premies volksverzekeringen op grond van kosten die niet tot de algemeen noodzakelijke bestaanskosten behoren, tenzij voor deze kosten bijstand wordt verleend;

g.vergoedingen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel f en onderdeel g, van de Wet op de loonbelasting 1964, tenzij voor deze vergoedingen en verstrekkingen bijstand wordt verleend;

h.rente ontvangen over op grond van artikel 12, tweede lid, onderdelen b en c, niet in aanmerking genomen vermogen en spaargelden;

i.een een- of tweemalige premie van € 2.570,00 per kalenderjaar, voor zover dit bijdraagt aan uitvoering door belanghebbende om geheel of gedeeltelijk in toekomstige eigen inkomsten te kunnen voorzien. Omscholing, bijscholing, herscholing, opstarten activiteit, gereedschap/materialen voor activiteit.

j.een kostenvergoeding voor het verrichten van vrijwilligerswerk van ten hoogste een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag; Nadenken over het volgende 600 p/m, maximaal 2 mnd per jaar bij een teler!

k.bij ministeriële regeling aan te wijzen uitkeringen en vergoedingen voor materiële en immateriële schade;

l.giften en andere dan de in onderdeel k bedoelde vergoedingen voor materiële en immateriële schade, met een maximum van € 1.700,00. Bedragen daarboven naar het oordeel van het college;

m.de ten behoeve van een levensloopregeling als bedoeld in artikel 39d van de Wet op de loonbelasting 1964 bij een uitvoerder als bedoeld in artikel 19g, derde lid, van die wet, zoals dit artikellid op 31 december 2011 luidde opgebouwde voorziening;

n.een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 29a van de Algemene nabestaandenwet;

o.een uitkering als bedoeld in artikel 118a, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet of een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2:52 of 3:10 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten;

p.een vergoeding als bedoeld in artikel 18 van de Wet inburgering zoals dit luidde voor de inwerkingtreding van het bij koninklijke boodschap van 14 november 2011 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet inburgering en enkele andere wetten in verband met de versterking van de eigen verantwoordelijkheid van de inburgeringsplichtige (33 086), nadat dat voorstel tot wet is verheven voorzover deze niet een vergoeding is als bedoeld in onderdeel f;

q.tegemoetkomingen op grond van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten, artikel 63a van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, artikel 65l van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel 67i van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, artikel 3:75 van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten of artikel 24 van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten, zoals dat op 31 december 2013 luidde;

r.hetgeen een mantelzorger op grond van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.6 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 als blijk van waardering ontvangt;

s.het vrijgelaten deel van de toeslag, uitkering, kinderbijslag of ouderdomspensioen op grond van de artikelen 14h, vijfde lid, van de Toeslagenwet, 27h, vijfde lid, van de Werkloosheidswet, 54a, vijfde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, 24a, vijfde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen, 29h,vijfde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, 97, vijfde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, 45h, vijfde lid, van de Ziektewet, 17h, vijfde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet, 45a, vijfde lid, van de Algemene nabestaandenwet, 17j, vijfde lid, van de Algemene Ouderdomswet, 29, zesde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, en 29, zesde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

t.een inkomensondersteuning als bedoeld in artikel 33a van de Algemene Ouderdomswet;

u.inkomsten uit arbeid tot 30 procent van deze inkomsten waarbij voor een persoon die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt geldt dat die inkomsten niet tot de middelen worden gerekend;

3Onder het redelijkerwijs kunnen beschikken over vermogens- en inkomensbestanddelen, bedoeld in het eerste lid, wordt niet verstaan het op verzoek van het UWV of college:

a.indienen door de belanghebbende van een aanvraag tot vervroeging van de ingangsdatum van een ouderdomspensioen als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet of artikel 1 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zolang de belanghebbende nog niet de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt; of

b.benutten van de mogelijkheid om te beschikken over de waarde van een lijfrente overeenkomstig artikel 15, tweede lid, onderdeel b, alsmede om te beschikken over een waardetoename van die lijfrente.

c.Erfenissen waarover men niet kan beschikken omdat bijvoorbeeld het vruchtgebruik bij de langstlevende ouder ligt. De gemeente erft niet meer mee. Indien het een onroerende zaak betreft, waaruit inkomsten voortvloeien, dient dit te worden gezien als inkomen, mits er redelijkerwijs beschikking over is;

Artikel 14. Inkomen

1Onder inkomen wordt verstaan de op grond van artikel 13 in aanmerking genomen middelen voor zover deze:

a.betreffen inkomsten uit of in verband met arbeid, inkomsten uit vermogen, inkomsten uit verhuur, onderverhuur of het hebben van een of meer kostgangers, het nettoresultaat uit ondernemen, socialezekerheidsuitkeringen, uitkeringen tot levensonderhoud op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, dan wel naar hun aard met deze inkomsten en uitkeringen overeenkomen; en

b.betrekking hebben op een periode waarover beroep op het VGI wordt gedaan.

c.IB2001 is in alle gevallen leidend, ook als het gaat om de verworvenheid waarbij het ontstaande recht ligt in een periode voor het VGI.

2
1Middelen die het karakter hebben van uitgesteld inkomen worden in aanmerking genomen naar de periode waarin deze zijn verworven.

2Indien de verworvenheid voor of na de periode ligt waarin het VGI is verstrekt, kunnen deze middelen niet aanmerking genomen worden als middelen voor het VGI.

3Indien het middelen betreft die voortkomen uit een betaling niet over een volledige kalendermaand, dienen deze middelen verrekend te worden in de periode waarin deze te gelde kunnen worden gemaakt, rekening houdend met de periode beschreven onder a. en b.

1Indien het middelen betreft uit ondernemerschap, parttime ondernemerschap en/of overige inkomsten naar de definitie conform de IB2001, kunnen deze enkel na aangifte IB worden aangemerkt als middelen voor het VGI, tot die tijd wordt het VGI verstrekt als VGI-lening.

Artikel 15. Vermogen

1Onder vermogen wordt verstaan:

a.de waarde van de bezittingen waarover de belanghebbende persoonlijk beschikt of redelijkerwijs persoonlijk kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden. De waarde van de bezittingen wordt vastgesteld op de waarde in het economische verkeer bij vrije oplevering;executie verkoop!

b.middelen die worden ontvangen in de periode waarover het VGI is toegekend, voorzover deze geen inkomen betreffen als bedoeld in de artikel 13.

2Niet als vermogen wordt in aanmerking genomen:

a.bezittingen in natura die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn dan wel, gelet op de omstandigheden van de belanghebbende, noodzakelijk zijn;

b.het bij de aanvang van het VGI aanwezige vermogen voorzover dit minder bedraagt dan de van toepassing zijnde vermogensgrens, genoemd in het derde lid;

c.spaargelden opgebouwd tijdens de periode waarin het VGI  wordt ontvangen;

d.het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf voor zover dit minder bedraagt dan € 350.000,00;

e.vergoedingen voor immateriële schade als bedoeld in artikel 13, tweede lid, onderdelen h en l;

f.de voorziening, bedoeld in artikel 13, tweede lid, onderdeel m.

3De in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde vermogensgrens is:

a.voor een alleenstaande: € 60.225,00;

b.voor een alleenstaande ouder, 1 kind: € 120.500,00;

c.voor de gehuwden tezamen: € 120.500,00;

d.voor iedere extra persoon afzonderlijk: € 60.225,00.

4Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op bezittingen die worden verworven in de periode waarover het VGI is toegekend en op middelen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, met dien verstande dat de van toepassing zijnde vermogensgrens, bedoeld in het derde lid, daarbij wordt verminderd met het vermogen dat:

a.bij aanvang van de bijstandsverlening niet in aanmerking is genomen op grond van het tweede lid, onderdeel b;

b.tijdens de bijstandsverlening niet in aanmerking is genomen op grond van dit lid.

Hoofdstuk 4. Aanvullende inkomensondersteuning en aanpassing bedragen

4.1. Aanvullende inkomensondersteuning

Artikel 16. Individuele en categoriale bijzondere bijstand

1Onverminderd paragraaf 2.1, heeft de belanghebbende recht op bijzondere bijstand voorzover de belanghebbende of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit het VGI, het vermogen en het inkomen voorzover dit meer bedraagt dan het VGI, waarbij artikel 13, tweede lid, en artikel 15, tweede lid, niet van toepassing zijn. 

2Het college kan bijzondere bijstand weigeren, indien de in het eerste lid bedoelde kosten binnen twaalf maanden een bedrag van € 50,00 niet te boven gaan. Meerdere kleinere bedragen mogen hierbij achteraf in het lopende jaar opgeteld worden. 

3In afwijking van het eerste lid kan bijzondere bijstand ook aan een persoon worden verleend in de vorm van een collectieve aanvullende zorgverzekering met vrije zorgverlener / artsenkeuze of in de vorm van een tegemoetkoming in de kosten van de premie van een dergelijke verzekering zonder dat wordt nagegaan of ten aanzien van die persoon de kosten van die verzekering of die premie ook daadwerkelijk noodzakelijk zijn of gemaakt zijn.

4Voorzover het UWV of de gemeente krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is, wordt de bijzondere bijstand verhoogd met de loonbelasting en premies volksverzekeringen en wordt er iedere maand een loonstaat opgemaakt.

4.2. Aanpassing bedragen

Artikel 17. Bruto minimumloon en consumentenprijsindex

1In deze paragraaf wordt onder Bruto minimumloon verstaan het minimumloon per maand, genoemd in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, verhoogd met de aanspraak op vakantiebijslag waarop een werknemer op grond van artikel 15 van die wet over dat minimumloon ten minste aanspraak kan maken. 

2artikel 22 van de Wet op de loonbelasting 1964 wordt toegepast
1Voor de werknemer is de algemene heffingskorting van toepassing.
2De algemene heffingskorting bedraagt (2020) € 2.711, verminderd, doch niet verder dan tot nihil, met 5,672% van het gedeelte van het belastbare loon dat meer bedraagt dan € 20.711.

Artikel 18. Aanpassingen middelen

1Met ingang van 1 januari van elk kalenderjaar worden de in artikel 9, tweede lid, onderdeel b, artikel 15, tweede lid, onderdeel d, en derde lid, en artikel 16, tweede lid, genoemde bedragen gewijzigd met de procentuele stijging van de consumentenprijsindex.
2De gewijzigde bedragen en de dag waarop de wijzigingen ingaan, worden door of namens Onze Minister medegedeeld in de Staatscourant.

Hoofdstuk 5. Uitvoering

5.1. De aanvraag

Artikel 19. Woonplaats en adresgegevens

1Het recht op bijzondere bijstand of buitenwettelijk begunstigend beleid bestaat jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Bijstand aan een belanghebbende die niet is ingeschreven als ingezetene met een woonadres of briefadres in de basisregistratie personen wordt verleend door het college.

2Indien bij de beoordeling van het recht op bijstand blijkt dat het door een belanghebbende verstrekte adres van hemzelf, van zijn echtgenoot of van een kind afwijkt van het adres waaronder de betrokkene in de basisregistratie personen is ingeschreven, schort het college de betaling van de bijstand op.

Artikel 20. Aanvraag bij UWV

1De aanvraag is gericht tot het UWV en wordt overeenkomstig artikel 30c van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen ingediend bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Zowel via Digid als middels een papieren aanvraag. Na de overdracht van de aanvraag door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan het college ingevolge artikel 30c, vijfde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen wordt de aanvraag verder behandeld door het college.

2Indien het een aanvraag betreft van andere dan het VGI dan wel van het VGI aan een persoon die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt die in een inrichting verblijft of die niet is ingeschreven in de basisregistratie personen, wordt in afwijking van het eerste lid, de aanvraag in het kader van maatwerk ingediend bij het college, die deze aanvraag direct doorzet naar het UWV waarbij de 1e dag melding de dag van verzoek om het VGI is. In alle andere gevallen via het UWV.

3De personen vanaf 18 jaar kunnen zich 4 weken voor hun 18e levensjaar melden bij het UWV om in aanmerking te komen voor het VGI.

4 In de aanvraag verleent belanghebbende het UWV een machtiging om onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van het VGI.

Artikel 21. Doorzending

1In afwachting van een beslissing inzake een geschil over toepassing en toekenning van het VGI door het UWV bestaat het recht op het VGI  jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende werkelijk verblijft.

2Kosten van het VGI  verleend ingevolge het eerste lid worden vergoed door het college van de gemeente waarvan de taak is waargenomen.

5.2. Toekenning, vaststelling en betaling

Artikel 22. Toekenning

1Indien door het UWV is vastgesteld dat recht op het VGI bestaat, wordt de bijstand toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voorzover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om het VGI aan te vragen.

2De belanghebbende heeft zich gemeld als zijn naam, adres en woonplaats bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen zijn geregistreerd, en:
hij in staat is gesteld zijn aanvraag in te dienen bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, als het een aanvraag betreft als bedoeld in artikel 20, eerste of derde lid, of bij het college, als het een aanvraag betreft als bedoeld in artikel 20, tweede lid.

3Indien de belanghebbende de aanvraag niet binnen redelijke termijn indient nadat hij zich heeft gemeld en hem dit te verwijten valt, kan het UWV, in afwijking van het eerste lid, besluiten dat het VGI wordt toegekend vanaf de dag dat de aanvraag is ingediend. Het UWV  en college heeft de taak om direct na de 1e dagmelding alle benodigde informatie aan belanghebbende te verstrekken, waarop zij de aanvraag gaan beoordelen. Deze benodigde informatie dient reeds bij een ieder duidelijk en transparant zijn te vinden op de website van het UWV en de gemeente en persoonlijk overhandigd of digitaal beschikbaar gesteld.

Artikel 23. Vaststelling en betaling

1Het VGI wordt per kalendermaand vastgesteld en in de maand op de 24e dag
van de maand betaald. Eventuele inkomsten in die maand zullen met het VGI
in de opvolgende maand worden verrekend. U ontvangt op de 1e van de nieuwe maand uw
rechtmatigheidsformulier of geeft deze inkomsten van de vorige periode digitaal aan het UWV door voor de 10e van de nieuwe maand. In afwijking van de eerste volzin wordt de
vakantietoeslag, voor zover niet reeds eerder betaald, jaarlijks betaald in de maand juni over de aan die maand voorafgaande twaalf maanden of zo veel eerder als de vakantietoeslag over deze periode vaststaat.

2Het UWV kan besluiten het VGI over een andere periode als bedoeld in het eerste lid vast te stellen of te betalen, doch niet later dan de 24e van de maand. Dit doet zich o.a. voor bij weekgeld en/of rechtstreekse betaling van woonkosten en ziektekostenverzekering!

3Het VGI wordt uitbetaald aan de belanghebbende zelf. Bij meerdere belanghebbenden kan dan wel op hun gezamenlijk verzoek de bijstand op 1 betaalrekening worden gestort uit praktische overweging van de belanghebbende.

4Ingeval van overlijden van de belanghebbende, wordt het VGI tot en met één maand na de dag van het overlijden, betaald naar de op het moment van overlijden van toepassing zijnde VGI-norm aan de andere echtgenoot, de ten laste komende kinderen, onderscheidenlijk de gewezen alleenstaande ouder.

Artikel 24. Vervreemding, verpanding, beslag en machtiging

1Het VGI is niet vatbaar voor beslag, vervreemding of verpanding.

2Bijzondere bijstand is niet vatbaar voor beslag, vervreemding of verpanding.

3Een machtiging tot het in ontvangst nemen van het VGI, onder welke vorm of welke benaming ook verleend, is steeds herroepelijk.

4Elk beding, strijdig met dit artikel, is nietig.

5.3. Cliëntenparticipatie

Artikel 25. Medezeggenschapsraad Ministerie SZW!

Het ministerie stelt bij wet regels over de wijze waarop de personen, of hun vertegenwoordigers worden betrokken bij de uitvoering van deze wet en de daarop berustende bepalingen, waarbij in ieder geval wordt geregeld de wijze waarop deze personen of hun vertegenwoordigers:

a.vroegtijdig in staat worden gesteld gevraagd en ongevraagd advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen;

b.worden voorzien van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen;

c.deel kunnen nemen aan periodiek overleg;

d.onderwerpen voor de agenda van dit overleg kunnen aanmelden;

e.worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie.

Hoofdstuk 6. Bevoegdheden en faciliteiten UWV en gemeenten
6.1. Vorm bijstand

Artikel 26. Geldlening en borgtocht

1Tenzij in deze wet anders is bepaald, wordt het VGI verleend om niet.

2Het VGI kan worden verleend in de vorm van een geldlening indien:

a.redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende op korte termijn over voldoende middelen zal beschikken om over de betreffende periode in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien;

3Bijzondere bijstand kan worden verleend door het college in de vorm van een geldlening of borgtocht indien:

a.de aanvraag een door de belanghebbende te betalen waarborgsom betreft;

b.het bijstand ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast betreft.

4Het college voert namens de landelijke kredietbank het verlenen van bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening uit indien het geen gift betreft. De landelijke kredietbank kan verplichtingen verbinden die zijn gericht op meerdere zekerheid voor de nakoming van de aan deze bijzondere bijstand verbonden rente- en aflossingsverplichtingen. 

5Indien de persoon aan wie het VGI in de vorm van een geldlening wordt verleend het VGI of een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen ontvangt, is het college bevoegd tot verrekening van die geldlening met die het VGI of uitkering.

Artikel 27. Schuldenlast

Het college kan bijzondere bijstand verlenen:

a.in de vorm van borgtocht, indien het verzoek van de belanghebbende tot verlening van een saneringskrediet is afgewezen vanwege diens beperkte mogelijkheden tot terugbetaling en de borgtocht noodzakelijk is om de krediettransactie alsnog doorgang te doen vinden door een:

1.De landelijke kredietbank als bedoeld in de Wet op het financieel toezicht;

2.De gemeente dient een actieve relatie te onderhouden met de Landelijke Kredietbank;

3.De Landelijke Kredietbank dient een Kredietverstrekking op verzoek van het college uit te voeren;

Artikel 28. Duurzame gebruiksgoederen en gemeentelijke belastingen

1Bijzondere bijstand voor de kosten van noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen of gemeentelijke belastingen kan worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht, dan wel in de vorm van een bedrag om niet.

2Indien een geldlening als bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt, stemt het college de aflossingsbedragen en de duur van de aflossing mede af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende, waarbij geen aflossingsverplichting opgelegd kan worden bij een inkomen op of onder het VGI.

Artikel 29. Voorschot

1Het UWV of college verleent uiterlijk binnen vier weken na de datum van 1e dagmelding/aanvraag en vervolgens telkens uiterlijk na vier weken, bij wijze van voorschot het VGI in de vorm van een renteloze geldlening, zolang het recht op het VGI niet is vastgesteld. De eerste zin is niet van toepassing indien:

a.de belanghebbende de voor de vaststelling van het recht op het VGI van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent;

b.bij de aanvraag duidelijk is dat geen recht op het VGI bestaat.

2De hoogte van het in het eerste lid bedoelde voorschot bedraagt in ieder geval 100% van de hoogte van het VGI, bedoeld in artikel 12, tweede lid.

3Het college is bevoegd om bij wijze van voorschot bijzondere bijstand te verlenen in de vorm van een renteloze geldlening.

4Indien het VGI of bijzondere bijstand wordt verleend over een periode waarover met toepassing van het eerste lid een voorschot is verleend, kan het VGI of bijzondere bijstand zonder machtiging van de belanghebbende worden verrekend met dit voorschot.

Artikel 30. Voorschot UWV andere wet en regelgeving

1Indien het VGI wordt verleend over een periode, waarover een uitkering op grond van de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen of de Toeslagenwet of een uitkering of inkomensvoorziening op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten als voorschot op grond van artikel 4:95 van de Algemene wet bestuursrecht betaalbaar is gesteld en dit voorschot door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen wordt teruggevorderd, kan deze bijstand zonder machtiging van de belanghebbende tot het bedrag van dit voorschot aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen worden betaald.

6.2. Onderzoek, opschorten en herzien

Artikel 30a. Verstrekking en onderzoek gegevens

1Onverminderd 30c, tweede, vierde en vijfde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, bepaalt de overheid welke gegevens ten behoeve van de verlening van het VGI dan wel de voortzetting daarvan door de belanghebbende in ieder geval worden verstrekt en welke bewijsstukken worden overgelegd, alsmede de wijze en het tijdstip waarop de verstrekking van gegevens plaatsvindt. De gegevens en bewijsstukken worden door het UWV niet verkregen van de belanghebbende voor zover ze zijn verkregen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen dan wel voor zover zij verkregen kunnen worden uit de polisadministratie, bedoeld in artikel 33 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, de verzekerdenadministratie, bedoeld in artikel 35 van die wet, alsmede uit de basisregistratie personen, tenzij hierdoor een goede vervulling van de taak van het UWV of college op grond van dit artikel wordt belet of bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen andere administraties worden aangewezen waarvoor de tweede zin van toepassing is, worden regels gesteld over de gegevens die het betreft en kunnen administraties worden aangewezen waarvoor de tweede zin tijdelijk niet van toepassing is. Indien het authentieke gegevens uit andere basisregistraties betreft, is dit lid van overeenkomstige toepassing.

2De feitelijke woonsituatie van hemzelf, van zijn echtgenoot of van een kind in overeenstemming is met het door hem verstrekte adres van hemzelf, zijn echtgenoot of van een kind.

3Het UWV is bevoegd onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zonodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van het VGI. Indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft kan het UWV besluiten tot herziening of intrekking van de bijstand, mits het verwijtbaar is aan belanghebbende.

6.3. Aanvullende verplichtingen

Artikel 31. Noodzakelijke betalingen en bijzondere bijstand in natura

Indien en zolang er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de belanghebbende zonder hulp niet in staat is tot een verantwoorde besteding van zijn bestaansmiddelen, kan het UWV:

a.aan het VGI de verplichting verbinden dat de belanghebbende eraan meewerkt dat het UWV in naam van de belanghebbende noodzakelijke betalingen uit het toegekende VGI verricht;

b.Het college de bijzondere bijstand in natura verstrekken.

6.4. Terugvordering

Artikel 32. Terugvordering

1De uitkeringsinstantie die het VGI heeft verleend vordert de verstrekte bedragen van het VGI terug voor zover het VGI ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 11, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

2Het uitkeringsinstantie die het VGI heeft verleend kan kosten van het VGI terugvorderen, voorzover het VGI:

a.anders dan in het eerste lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;

b.in de vorm van geldlening is verleend en de uit de geldlening voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk worden nagekomen;

c.voortvloeit uit gestelde borgtocht;

d.ingevolge artikel 52 bij wijze van voorschot is verleend en nadien is vastgesteld dat geen recht op aanvulling vanuit het VGI bestaat;

e.anderszins onverschuldigd is betaald voorzover de belanghebbende dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen, of

f.anderszins onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen dat:

1.de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover het VGI is verleend, over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 beschikt of kan beschikken;

2.het VGI of bijzondere bijstand is verleend met een bepaalde bestemming en naderhand door de belanghebbende vergoedingen of tegemoetkomingen worden ontvangen met het oog op die bestemming.

3Het UWV is bevoegd tot verrekening van in de voorafgaande zes maanden ontvangen middelen met de algemene bijstand.Indien deze middelen verworven zijn in die periode.

4Bij gebreke van tijdige betaling kan de vordering worden verhoogd met de op de terugvordering betrekking hebbende kosten, zoals Loonbelasting en de premies volksverzekeringen waarvoor het UWV die het VGI verstrekt krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is, kunnen worden teruggevorderd, voor zover deze belasting en premies niet verrekend kunnen worden met de door het college af te dragen loonbelasting en premies volksverzekeringen.

5Terugvordering als bedoeld in het tweede lid, onderdeel e, vindt niet plaats, indien de betreffende kosten zijn gemaakt meer dan één jaar vóór de datum van verzending van het besluit tot terugvordering.

6In afwijking van het eerste lid kan het UWV besluiten van terugvordering of van verdere terugvordering als bedoeld in het eerste lid af te zien, indien de persoon van wie de kosten van het VGI worden teruggevorderd:

a.gedurende 3 jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan;

b.gedurende 3 jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald;

c.gedurende 3 jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; of

d.een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de restsom, in één keer aflost.

7Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het UWV besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

6.5. Verhaal

Artikel 33. Algemeen

Kosten van het VGI kunnen door het UWV worden verhaald in de gevallen en naar de regels aangegeven in deze paragraaf.

Artikel 34. Inlichtingenverplichting instanties

1De hieronder vermelde instanties zijn verplicht desgevraagd kosteloos opgaven en inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze wet door het UWV:

a.het college van gemeenten;

b.het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale verzekeringsbank;

c.de Belastingdienst;

d.het CAK, genoemd in artikel 6.1.1, eerste lid, van de Wet langdurige zorg, de Nederlandse Zorgautoriteit, bedoeld in de Wet marktordening gezondheidszorg en de zorgverzekeraars in de zin van de artikelen 1, onderdeel b, van de Zorgverzekeringswet of van de Wet langdurige zorg;

e.de bedrijfstakpensioenfondsen, ondernemingspensioenfondsen, risicofondsen, stichtingen tot uitvoering van een regeling inzake vervroegd uittreden en andere organen belast met het doen van uitkeringen of verstrekkingen die bij of krachtens artikel 8 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers als inkomen worden aangemerkt;

f.de Kamer van Koophandel, met dien verstande dat dit, in afwijking van de aanhef van dit lid, geschiedt tegen betaling van de daarvoor op grond van de Handelsregisterwet 2007 vastgestelde vergoeding;

g.de korpschef en de bevelhebber van de Koninklijke marechaussee in de zin van de Vreemdelingenwet 2000;

h.de Belastingdienst/Toeslagen betreffende de toekenning van tegemoetkomingen met toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties betreffende de toepassing van de Wet bevordering eigenwoningbezit;

i.Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, voor zover het betreft het onderwijs op het gebied van landbouw, natuurlijke omgeving en voedsel, Onze Minister van Economische Zaken;

j.Onze Minister van Economische Zaken betreffende de omvang van de productiebeperkende maatregelen voor het bedrijf van de ondernemer in de agrarische sector;

k.Onze Minister van Veiligheid en Justitie voor zover het betreft de persoon die rechtens zijn vrijheid is ontnomen of de persoon die zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel;

l.de instanties en personen die woonruimte verhuren;

m.de instanties die in het kader van de openbare nutsvoorziening energie en water leveren;

n.Onze Minister betreffende de toepassing van de Wet inburgering;

o.Onze Minister en de colleges van burgemeester en wethouders voor zover het gegevens betreft die verwerkt worden in het landelijk register kinderopvang, bedoeld in de Wet kinderopvang.

2Het vragen door het UWV en het verstrekken door de in het eerste lid bedoelde instanties van de in het eerste lid bedoelde gegevens en inlichtingen kan geschieden door tussenkomst van het Inlichtingenbureau.

3Griffiers van colleges, geheel of ten dele met rechtspraak belast, zijn verplicht desgevraagd  aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen inzake de verlening van het VGI, aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, kosteloos alle gegevens en uittreksels of afschriften van uitspraken, registers en andere stukken te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze wet.

4De in het eerste en het derde lid bedoelde verplichtingen strekken zich mede uit tot degene van wie kosten van het VGI worden of kunnen worden teruggevorderd ingevolge paragraaf 4 of op wie deze worden of kunnen worden verhaald ingevolge paragraaf 5;

5De in het eerste lid en het vierde lid bedoelde gegevens en inlichtingen worden desgevraagd schriftelijk, of in een andere vorm die redelijkerwijs kan worden verlangd, en zo spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen vier weken na ontvangst van het verzoek hiertoe, verstrekt.

6De in het eerste lid, onderdeel a tot en met k, genoemde instanties treffen desgevraagd met het UWV en met het Inlichtingenbureau een regeling met betrekking tot de mededeling van wijzigingen in de eerder aan hen gevraagde gegevens en inlichtingen.

7Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent het derde lid en de inhoud en vormgeving van de in het zesde lid bedoelde regelingen.

8Bij algemene maatregel van bestuur kunnen een of meer van de in het eerste lid bedoelde instanties worden aangewezen die ten behoeve van aan het UWV te verstrekken gegevens en inlichtingen, de door het Inlichtingenbureau aan deze instanties verstrekte gegevens van aldaar op dat moment nog onbekende personen opslaan. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing. Bij toepassing van de eerste volzin wordt bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaald op welke wijze en gedurende welke termijn deze gegevens worden opgeslagen.

9Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere instanties en personen dan genoemd in het eerste en het derde lid worden aangewezen voor wie de verplichtingen, bedoeld in het eerste lid tot en met achtste lid, eveneens gelden, voor zover het betreft de verstrekking van nader bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen inlichtingen en gegevens.

10Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het negende lid, dat de daar bedoelde verplichting alleen geldt jegens ambtenaren met opsporingsbevoegdheid.

11Onze Minister van Veiligheid en Justitie verstrekt ten aanzien van de persoon die rechtens zijn vrijheid is ontnomen of de persoon die zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel, onverwijld en kosteloos de gegevens en alle overige opgaven en inlichtingen, waarover deze beschikt en die noodzakelijk zijn voor het recht op het VGI aan het UWV door tussenkomst van het Inlichtingenbureau, waarbij hij gebruik kan maken van het burgerservicenummer.

12Onze Minister van Buitenlandse Zaken verstrekt ten aanzien van de Nederlander die in het buitenland rechtens zijn vrijheid is ontnomen, onverwijld en kosteloos, gegevens, en inlichtingen waarover hij beschikt en die noodzakelijk zijn voor het recht op het VGI aan het UWV, door tussenkomst van het Inlichtingenbureau, waarbij hij gebruik kan maken van het burgerservicenummer. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de uitvoering van dit lid.

13De Belastingdienst verstrekt aan het UWV zonder dat daaraan een verzoek ten grondslag ligt gegevens als bedoeld in het eerste lid over samenloop van een uitkering met inkomen uit of in verband met arbeid of bedrijf of over vermogen, die bij de uitvoering van een belastingwet of bij de invordering van enige rijksbelasting bekend zijn geworden voor zover die gegevens noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze wet.

Artikel 35. Geheimhoudingsplicht

1Het is een ieder verboden hetgeen hem uit of in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van deze wet over de persoon of zaken van een ander blijkt of wordt meegedeeld, verder bekend te maken dan voor de uitvoering van deze wet noodzakelijk is dan wel op grond van deze wet is voorgeschreven of toegestaan.

2Het in het eerste lid vervatte verbod is niet van toepassing indien:

a.enig wettelijk voorschrift tot bekendmaking verplicht;

b.degene op wie de gegevens betrekking hebben schriftelijk heeft verklaard tegen de verstrekking van deze gegevens geen bezwaar te hebben;

c.de gegevens op geen enkele wijze herleidbaar zijn tot individuele natuurlijke personen.

3Ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek of statistiek kunnen desgevraagd gegevens aan derden kosteloos worden verstrekt voor zover de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen daardoor niet wordt geschaad.

4Degene die op grond van de artikelen 34 tot en met 37 gegevens verstrekt dient na te gaan of degene aan wie de gegevens worden verstrekt bevoegd is te achten om die gegevens te verkrijgen. Het is aan het UWV om onderbouwd deze rechtmatigheid kenbaar te maken aan degene die voornemens is om informatie te verstrekken

Artikel 36. Vermoeden misdrijf

Het UWV is verplicht, indien het bij de uitvoering van deze wet het gegronde vermoeden krijgt van een misdrijf dat is gepleegd ten nadele van een Nederlands of buitenlands uitvoeringsorgaan van de sociale verzekeringswetten of van een Nederlands of buitenlands overheidsorgaan, voor zover dit is belast met het verrichten van uitkeringen, het doen van verstrekkingen dan wel het heffen van bijdragen, het betrokken orgaan hiervan in kennis te stellen.

Artikel 37. Inlichtingenverplichting gemeenten

1Het UWV en college is bevoegd uit eigen beweging en verplicht desgevraagd, onverminderd artikel 107 van de Vreemdelingenwet 2000, uit de administratie terzake van de uitvoering van deze wet aan de hieronder vermelde instanties kosteloos de gegevens te verstrekken:

a.het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale verzekeringsbank voor de uitvoering van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen of de wettelijke regelingen, bedoeld in de artikelen 30, eerste lid, onderdeel a, en 34, eerste lid, onderdeel a, van die wet;

b.de Belastingdienst voor de heffing of invordering van enige rijksbelasting, de premies voor de sociale verzekeringen, bedoeld in artikel 2, onderdelen a en c, van de Wet financiering sociale verzekeringen, of inkomensafhankelijke bijdragen als bedoeld in artikel 41 van de Zorgverzekeringswet en de Belastingdienst/Toeslagen voor de uitvoering van inkomensafhankelijke regelingen als bedoeld in de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen;

c.het college van gemeenten voor de uitvoering van deze wet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

d.het CAK, genoemd in artikel 6.1.1, eerste lid, van de Wet langdurige zorg, de Nederlandse Zorgautoriteit, bedoeld in de Wet marktordening gezondheidszorg, de zorgverzekeraars in de zin van artikel 1, onderdeel b, van de Zorgverzekeringswet, voor de uitvoering van de Zorgverzekeringswet of de Wlz-uitvoerders, bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet langdurige zorg, voor de uitvoering van de Wet langdurige zorg;

e.buitenlandse organen voor de vervulling van een taak van zwaarwegend algemeen belang;

f.bestuursorganen van Aruba, Curaçao, en Sint Maarten voor de vervulling van een taak van zwaarwegend algemeen belang;

g.Onze Minister voor de uitvoering van de Wet inburgering;

h.Onze Minister van Veiligheid en Justitie in verband met de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen.

2Het verstrekken door het UWV of college aan de in het eerste lid bedoelde instanties van de in het eerste lid bedoelde gegevens kan geschieden door tussenkomst van het Inlichtingenbureau.

3De in het eerste lid bedoelde gegevensverstrekking vindt niet plaats indien de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene daardoor wordt geschaad.

4Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de gevallen waarin en de wijze waarop in ieder geval gegevens dienen te worden verstrekt.

5Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere instanties dan genoemd in het eerste lid worden aangewezen ten behoeve waarvan de verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, eveneens gelden.

Hoofdstuk 7. Financiering, toezicht en informatie

Artikel 38. Cassatie

1Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van deze wet, en de daarop berustende bepalingen.

2Op dit beroep zijn de voorschriften betreffende het beroep in cassatie tegen de uitspraken van de gerechtshoven inzake beroepen in belastingzaken van overeenkomstige toepassing, waarbij de Centrale Raad van Beroep de plaats inneemt van een gerechtshof.

Artikel 39. Onverwijlde bijstand

1In geval het UWV of college geen of ontoereikend toepassing heeft gegeven aan artikel 29;

a.moet de voorzitter van gedeputeerde staten, indien naar zijn oordeel de noodzaak tot onverwijlde bijstand aanwezig is, op verzoek van de belanghebbende besluiten dat het UWV of college het VGI verleent.

b.is er direct beroep mogelijk bij de (voorzieningen) rechter.

2De beslissing van de voorzitter van gedeputeerde staten vervalt, zodra de beslissing van het UWV of college inzake de verlening van het VGI onherroepelijk is geworden dan wel de rechtbank op het beroep heeft beslist. De beslissing vervalt eveneens met ingang van de datum waarop een door de voorzieningenrechter van de rechtbank getroffen voorlopige voorziening in werking treedt.

3De in het eerste lid bedoelde VGI wordt bij wijze van voorschot verleend in de vorm van een renteloze geldlening.

Artikel 40. Goede uitvoering

1Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, indien de spoed dat vereist, regels worden gesteld die noodzakelijk zijn in verband met de goede uitvoering van de wet.

2De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

3Na de plaatsing in het Staatsblad van een krachtens het eerste lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur wordt een voorstel van wet tot regeling van het betrokken onderwerp zo spoedig mogelijk bij de Staten-Generaal ingediend. Indien het voorstel wordt ingetrokken of indien een van beide kamers der Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur onverwijld ingetrokken. Wordt het voorstel tot wet verheven, dan wordt de algemene maatregel van bestuur ingetrokken op het tijdstip van inwerkingtreding van die wet.

Artikel 41. Evaluatie

Onze Minister zendt binnen vier jaar na de inwerkingtreding van het Voorwaardelijk Garantie Inkomen, aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van in de praktijk.

Artikel 42. Inwerkingtreding

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 43. Citeertitel

Deze wet wordt aangehaald als: Voorwaardelijk Garantie Inkomen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te ‘s-Gravenhage,
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

…………….
Uitgegeven de
De Minister van Justitie,